Overdenken

                                                    Voor nieuwe editie:   Zie ook Gemeenteblaadje )

Ter overdenking

 

Zingen in de nacht

Je hoeft niet alles zelf te bedenken en te verwoorden. Ook dat is een zegen van de liturgie: niet onder gaan in sprakeloosheid, maar opstaan en instemmen met wat de eeuwen door zijn waarde bewezen heeft. In deze eeuwenoude (ere)dienstpraktijk worden woorden aangereikt, die het uithouden, zelfs in de nacht. Ik lees een regel, verweven met de Pascha-viering: ‘En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg’ (Matteüs 26:20).

Het staat er, schijnbaar verscholen in de storm van de gebeurtenissen. Je leest er zomaar overheen. Er wordt gezongen in de nacht. Het past niet of nauwelijks bij elkaar. Het kost weinig moeite om een aantal werkwoorden te vinden, strokend met de nacht: slapen, huilen, roepen, piekeren, tobben. Nacht is niet alleen de tijd tussen de avond en de morgen. Nacht kan ook overdag zijn. Vanwege verdriet, pijn, eenzaamheid, radeloosheid. Het laatstewaar je dan aan denkt is: zingen.

Jezus is met zijn discipelen aan tafel. Niet zomaar een hapje eten, maar om het Pascha te vieren. Tafelgemeenschap gold als levensgemeenschap, zoveel te meer op hoogtijdagen, zoals het Pascha. Alles herinnert aan de bevrijding uit het diensthuis, het angstland Egypte. Het gebeurt volgens een eeuwenoud ritueel. Met dien verstande dat bij het breken van het brood en bij de beker wijn nieuwe woorden klinken: ‘Dit is mijn lichaam’ en: ‘Dit is het bloed van mijn verbond’(26:26-27). De sfeer is uitermate gespannen. Het verraad schuilt in de allernaaste kring (26:21). Wie is daartoe in staat? Ieder stelt deze verbijsterende vraag. Niemand acht zichzelf te goed om zo slecht te zijn. Tenslotte valt de slagschaduw op Judas. Schuld en lot zijn een onontwarbare kluwen: ‘De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was’ (26:24). De evangelist Johannes brengt de nacht expliciet ter sprake: ‘Hij [Judas] nam dan het stuk brood en vertrok terstond. En het was nacht’ (13:30). Mattheüs vertelt even verder dat Jezus direct na deze tafelgemeenschap, die zoveel scheuren vertoont, naar de Olijfberg gaat. Het is één van de bergen rondom Jeruzalem. Aan de voet van die berg ligt een tuin, de hof van Gethsemané. Daar gebeuren dingen, te groot voor kleine mensenwoorden. Om een dichter te citeren: nodig is een taal waarvoor geen teken is in dit heelal.

De overgang van de Pascha-viering naar Gethsemané wordt gemarkeerd door dat ene regeltje: ‘En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg’. Merkwaardige en gedenkwaardige aanduiding: de lofzang. In het Hebreeuws: het Halleel. Daarin klinkt het bekende (?) ‘halleluja’ door. Het is niet zomaar een deuntje, geen vlotte meezinger, geen carnavalsliedje, maar een bundeltje Psalmen, dat met elkaar ‘de lofzang’ heet: Psalm 113-118. De laatste woorden van die lofzang zijn: ‘Looft de Here, want Hij is goed, ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’ (118:29). De nacht kan slecht zijn, maar de Here is goed. Zijn verbondstrouw duurt tot in eeuwigheid. Omdat deze Ene, Jezus Christus, daarin is voorgegaan, kunnen anderen volgen. Hij heeft de nacht van de schuld, de wanhoop, de eenzaamheid stuk gezongen. Daarom gaat het in het Evangelie van Pascha naar Gethsemané, door nog veel meer donker heen naar Pasen. De lofzang heeft de langste adem en het laatste woord. De woorden zijn gelouterd, zelfs door de dood heen. Ze worden ons op de lippen gelegd. Ook deze gehoorzaamheid is een roeping van Gods wege.

Zingenderwijs

Ik noem nog enkele uitspraken van mensen die ons voort kunnen helpen.

Henk van Randwijk (1906-1966) was journalist, verzetsman, dichter. In de oorlog richtte hij het blad Vrij Nederland op, dat nog steeds bestaat. Hij was van Gereformeerde huize, raakte allengs vervreemd van de dingen die hij van huis uit geleerd had. Onder invloed van zijn grote vriend ds J.J.Buskes (1899-1980) werd hij opnieuw geraakt door het Evangelie. Wat hij vroeger had meegekregen sliep blijkbaar als een zaadje in de akker. Daarover schreef hij zelf: ‘Mijn vader zong psalmen op de akker, / mijn moeder in de keuken ’t zelfde lied. / En wat men zo ontvangt, dat sterft voorzeker niet / en als het slaapt wordt het toch eens weer wakker’.

Sytze de Vries (geb. 1945) is emerituspredikant. Hij schrijft een veelheid van nieuwe liederen. Onder meer: ‘Zolang wij ademhalen’ (mogelijke mel. Gezang 448). Ik haal twee coupletten aan. ‘Zolang wij ademhalen / schept Gij in ons de kracht / om zingend te vertalen / waartoe wij zijn gedacht: / elkaar zijn wij gegeven / tot kleur en samenklank. / De lofzang om het leven / geeft stem aan onze dank’. En verder: ‘Al is mijn stem gebroken, / mijn adem zonder kracht, / het lied op and’re lippen / draagt mij dan door de nacht. / Door ademnood bevangen / of in verdriet verstild: / het lied van Uw verlangen / heeft mij aan ’t licht getild’.

Okke Jager (1928-1992) was dominee, dichter, docent (aan de universiteit in Kampen), auteur van een groot aantal boeken. Hij was een meester in korte, kernachtige uitspraken (met een deftig woord: aforismen). Zoals deze: ‘Wie met modder gooit, raakt grond kwijt’. En in verband met zingen: ‘Het is tijd om te zingen, al staat de tijd op springen’.

Vroeger moesten we op school een versje uit het hoofd leren. Al doende hebben ouderen een veelheid van liedteksten in hun geheugen. Die komen van pas, vooral wanneer het spannend wordt. Jager schrijft: ‘We moeten liedteksten uit het hoofd kennen, al was het alleen maar met het oog op een toekomstig Oranjehotel of de operatietafel’. Een kanttekening, wellicht ten overvloede: ‘Oranjehotel’ was in de oorlogstijd de naam van de gevangenis in Scheveningen, waar heel veel mensen van het verzet werden vast gehouden.

Wim ter Horst (geb. 1929) begon zijn loopbaan als onderwijzer. Hij voelde zich aangetrokken tot kinderen die extra zorg nodig hadden, met ‘een rugzakje’ zogezegd. Hij studeerde pedagogie en werd na verloop van tijd hoogleraar in Leiden. Hij schreef onder meer het mooie boek: ‘Over troosten en verdriet’. Daarin lees ik ook deze regels, die te denken geven: ‘Wij zijn geen volk van zangers. Er zijn miljoenen mensen die na de basisschool nooit meer zingen. Dat is toch verschrikkelijk? Alleen daarom al zou je mensen die geen lid zijn van een koor, moeten aanraden naar de kerk (terug) te gaan omdat daar de enige ruimte is waar samen wordt gezongen wordt’.

Pasen: zingen door je tranen heen

Een echte ontmoeting is een gebeuren, kostbaar en kwetsbaar ineen. Okke Jager ontleedt voorzichtig het woord en legt het open. Een ‘moet’ is een litteken van een wond. ‘Ontmoeting’ zou dus letterlijk betekenen: het wegnemen van een litteken. Dat geeft te denken.

Ik ontmoet regelmatig mensen, in wier leven de zon ondergaat. Het wordt nooit meer zoals het is geweest: een kind verloren in de bloei van zijn leven; een partner plotseling weggevallen, juist toen een periode zou aanbreken om samen meer te genieten van de grote en vooral van de kleine dingen….

Het verhaal van Pasen, verteld in Marcus 16, gaat over drie vrouwen, op weg naar een graf. In alle vroegte, toen de zon opging. De zon zou eigenlijk nooit meer onder gaan in hun leven, maar dat wisten zij toen nog niet. Wat gingen zij doen? Wie dat alleen met z’n hoofd vraagt, zal het nooit verstaan. Evenmin als iemand die de Nachtwacht van Rembrandt bekijkt en concludeert: zoveel meter linnen, verf van dit merk, een mengsel zus en zo. Of iemand die van een zoen niet meer weet te zeggen dan: het aanraken van de buitenkant van twee monden van levende wezens, waarbij miljoenen micro-organismen overspringen, met alle risico’s daarmee verbonden. De drie vrouwen rekenen niet met het hoofd, maar met het hart: liefde betonen, wellicht sterker dan de dood (Hooglied 8:6). Aan haar wordt van Hogerhand, door bemiddeling van een engel, een bode, gezegd: ‘Jezus zoekt u, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet’. Die goede tijding, dit evangelie moeten zij doorgeven aan de naaste kring en aan ieder die het maar horen wil.

Wat gebeurde er met die drie vrouwen? Een mogelijk antwoord: toen ging de zon echt op en voortaan dansten zij in het morgenlicht (zoals Psalm 149:2 bezingt). Het eerste is waar, het tweede is een versimpeling. Zij waren totaal overstuur. Het verhaal eindigt met: ‘Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden’. Die schrik, die vrees was overigens niet het einde. Met vallen en opstaan hebben die vrouwen ervaren dat het nooit meer voorgoed donker kon worden. Pasen vertelt dat alles anders is dan we tot dusver veronderstelden. Het betekent dat we de meubeltjes van ons levenshuis opnieuw moeten schikken, de balans van ons leven grondig moeten herzien. De dood is het einde niet. Deze Ene, Jezus Christus, heeft de dood van zijn laatste macht beroofd. In het woordenboek van de Bijbel staat bij het woordje ‘dood’ een reeks vreselijke dingen, maar het laatste is: zie verder bij ‘leven’ en bij ‘de Levende’.

Misschien kun je dit alles beter zingen dan zeggen. Kinderen gaan ons voor.

Ik las ooit een krantenbericht. Een jonge moeder zou haar kinderen het graf van papa bezoeken. De jongste, van drie jaar, moest die eigenlijk wel mee? Wat zou er in dat koppie omgaan? De andere kinderen konden het een beetje begrijpen en erover praten, met elkaar en met mama. De jongste ging toch mee, in een buggy, op de rug van mama. Hij maakte het allemaal op zijn manier mee. Toen ze weggingen van het graf, begon hij ineens zachtjes te zingen: ‘Lang zal-ie leven in de gloria’. Waar haalde hij de woorden vandaan? Misschien kunnen de woorden van een ander lied ons op weg helpen. Geschreven door William Cowper (1731-1800), een man die jaren lang leed aan diepe, langdurige depressies. Hij zong door zijn tranen heen omdat hij weet had van God, die hem vasthield, ook als hij zelf alle houvast kwijt was. Een van zijn liederen, Gezang 447, begint met deze woorden: ‘God gaat zijn ongekende gang, vol donk’re majesteit’. Het duister kan doorlicht worden, zodat de zon zichtbaar wordt. Daarom zong dat kind. Het zong de dag tegemoet. Uiteindelijk de dag waarop geen nacht zal volgen. Het lied van Cowper eindigt met deze woorden: ‘Hoe blind vanuit zichzelve is / het menselijk gezicht. / God zelf vertaalt de duisternis / in eindlijk eeuwig licht’.